Zoek op Liefde

 
 
Haar lange donkerbruine haar was zo opgestoken dat het aan weerszijden van haar mooie maar expressieloze gezicht bolvormig uitstak, waardoor het leek of ze een hoedje droeg. Ik pakte de hand van haar geheven linkerarm, legde haar andere hand op mijn schouder en vouwde mijn rechterarm om haar middel. Toen ik mijn wang tegen de hare drukte, schrok ik van hoe koud ze was. Norag zette de overbekende Donau-wals van Strauss op die ik extra goed kende omdat mijn moeder altijd aan het zwieren en zwaaien sloeg als zij die op de distributieradio hoorde. Dan tilde ze mij op en zong ‘lek-ker-ke-rel-tje, lek-ker-ke-rel-tje’ op een melodisch lijntje dat na de eerste maten kwam. Deze pop deed niets en keek akelig doods langs me heen, maar opeens begon het cirkelvormige plateautje waarop wij stonden, te draaien en meteen daarna zette de hele kermismolen zich in beweging. Ik keek om me heen en zag ons van alle kanten weerspiegeld. Steeds als we tussen twee spiegels in draaiden, waaierde het beeld duizendvoudig uit tot in het oneindige en danste ik met die pop op een lange weg tot diep in niemandsland.
(Zoek op Liefde, blz. 182-183)