| Proloog |
|
Ik heb het dus niet van een vreemde. Kun je iets van een vreemde hebben? (Ilonka) Mijn vader, die vroeger meubels verkocht voor de kost, zei tou moar toen hij het gedicht las. Dat zei hij altijd wanneer hij het niet meer wist. Van kinds af aan al probeer ik me voor te stellen hoe ik er als oude man uit zal zien. Daar staat tegenover dat ik in vrouwen en mannen altijd de pasgeboren baby zie of het meisje of de jongen die ze eens zijn geweest op zonnige zomerdagen vol lach en spel en tijdens somber doorwaakte winternachten, die hun kindergeestjes staalden. Als ik dronken ben, schep ik er plezier in om met een grimeursblik in de spiegel te kijken en mezelf met behulp van mijn beschonken verbeelding stokoud te maken. Door zulke gewoontes verlies je het vermogen de leeftijd van mensen te schatten, maar dat vind ik niet erg. De waarde van een mens is niet aan leeftijd gebonden. Ik vraag me ook te pas en te onpas af hoe mensen er kort na hun dood uit zullen zien. Als ze met hun ogen dicht in de trein zitten te dommelen, timmer ik een kist en baar hen op. Als ze naast mij al te rustig liggen te slapen, doe ik voordat ik het weet mijn rouwbeklag. Er zit iets in mijn genen wat niet houdt van het hier en nu. Ik wil heen en weer, van deze naar gene zijde en vice versa. Ik zou een portret willen schrijven van mezelf, maar zonder de ander ben ik niets, dus het wordt altijd ook een portret van anderen, een groepsportret zonder lijst. Die anderen lijken overigens meer op mij dan dat ze van mij verschillen, zelfs als zij vrouwen zijn. Het verschil tussen de geslachten wordt doorgaans sterk overdreven op radio en televisie en in kranten. Om te beschrijven hoe ik erachter probeerde te komen wat het ergste is wat je tegen iemand kunt zeggen, heb ik heel veel meer woorden nodig dan de vreselijke woorden die ik zocht. Waar moest ik beginnen? Ik wist dat de twee neefjes tijdens een tuinfeestje van de familie in de kelder van het huis van hun oom een oude sprekende pop hadden gevonden, een meisjespop met lang blond haar. Vier vreselijke woorden sprak die pop toen ze op haar buik drukten. Het scheen dat het rossige neefje die woorden daarna nog eens in het oor van de hazelip had gefluisterd. Ze vlogen elkaar aan. Er spatte bloed op hun schone overhemdjes. Levenslange wederzijdse haat was geboren. Zij bleven elkaars vijand totdat de ene neef, de roodharige, tientallen jaren later, mijmerend over het nut van eer en wraak, onder een tram liep en verongelukte. Hij was de man van de vrouw die mij het verhaal vertelde in het Vondelpark. De vreselijke woorden had hij zelfs niet aan háár verklapt, want hij hield van haar. Niemand anders dan de neef die hem overleefdewist welke woorden het waren. |