| Persreacties |
|
14. Recensieweb Herman Franke kennen we als publicist in verschillende dagbladen en tijdschriften en als schrijver van Wolfstonen, De verbeelding ( AKO Literatuurprijs 1998) en nu van Uit het niets. Waar deze nieuwe roman precies begint in de tijd is allerminst duidelijk. Wel dat er een ik aan het woord is: ‘noem me ik’ zijn de eerste woorden van Uit het niets. De verteller heeft het over een tijd geleden (‘hoe lang geleden doet er niet toe’) toen hij een zeer bijzonder beroep uitoefende. De ‘ik’ verdiende namelijk de kost met het schrijven van portretten. Hij heeft veel portretten geschreven, was hier ook goed in, totdat hij verliefd werd op een klant. Van haar schrijft hij zijn laatste portret. Het is een prachtige vrouw, ze bedrijven de liefde en de dame wordt zwanger. ‘Wij baarden een jongen en noemden hem ik.’ Het overgrote deel van de roman is gevuld met herinneringen van deze ‘ik’. Het is een schichtig, emotioneel en zwak jongetje, dat opgroeit in een katholiek gezin in Groningen. Deze ik kampt met herkenbare jeugdproblemen. Hij wil zo graag bij de stoere straatbende horen, en voelt zich vaak onbegrepen. Zo staat de ik tijdens een voetbalwedstrijd vlak bij de goal, als hij een bal, die er toch al in ging, met zijn hand in het net slaat. Zijn teamgenoten zijn woedend, de jongen zelf verkeert in uiterste staat van verwarring: ‘Ik had helemaal geen hands willen maken en toch had ik het gedaan, dus ik wilde eigenlijk wat ik niet wilde.’ In dit soort anekdotes blinkt Franke uit. Mede door de prachtige beschrijvingen van ontdekkingen en teleurstellingen als deze ontstond bij mij grote sympathie voor het hoofdpersonage. Het is dezelfde soort sympathie die bij mij opkomt voor de dromerige Anton Wachter uit Vestdijks romans. Het intense meeleven met de hoofdpersoon veroorzaakt zelfs af en toe gêne. Even later in het boek zijn we jaren later in Amsterdam. De ik is student, heeft veel typische studentenvrienden en spendeert zijn studiebeurs in de kroeg. Bij een college filosofie krijgt hij alles te horen over Parmenides’ opvatting over beweging. De uitleg van de docent herinnert de ik aan een vriendje van vroeger, die bij een bepaald spel kon ‘bewegen zonder te bewegen’. Het is bij ditzelfde college dat hij zijn eerste liefde ontmoet. Er volgt een uitvoerig beschreven liefdesspel, waarbij de ik zich niet mag bewegen. Het is typerend voor de manier waarop de thematiek in elk verhaal aanwezig is. De verhalen stapelen zich op. Er zijn verschillende vrienden en vriendinnen: Ilonka, Francien, schele Henkie en Jan Schut, een buurman of een onbekende vrouw in het Vondelpark, en stuk voor stuk vormen deze personen aanleiding voor een anekdote. Niet elk verband tussen de verhalen is altijd even duidelijk. De sprongen zijn vaak onverwachts en lijken elkaar eindeloos op te kunnen volgen. Of zoals de verteller zelf samenvat: ‘Dit portret is uit zijn lijst gegroeid, en buiten de lijst heeft een portret geen begrenzingen, een lijst is geen dijk die als hij doorbreekt in de rug wordt gedekt door een slaper, buiten de lijst heerst de vrijheid van het uitdijende heelal, buiten de lijst is een portret een platoons idee zoals romans buiten de kaft het verhaal van alle mensen vertellen.’
Uit het niets is volgens de uitgever het eerste deel van de ‘grote’ roman Voorbij ik en waargebeurd. Een goede titel, als je beseft dat Franke je mee neemt buiten ‘de omheining’, waar bijvoorbeeld chronologie geen rol meer speelt. Maar zijn mooie, heldere taal zorgt er voor dat je moeiteloos achter de gedachtesprongen van de schrijver aan kan springen. Het zijn juist deze ‘uitstapjes’ die het boek zo mooi en spannend maken. |