Hoofdstuk 1

Ik liet een Groninger niet Amsterdams praten maar ik schreef wel dat achter het stugge, argwanende optreden van een provinciaal de bourgondische zwierigheid en ruimdenkendheid van een kosmopoliet schuilgingen. Ik maakte lelijke vrouwen niet bloedmooi, maar ik maakte ze wel mooi in hun lelijkheid. Over een vrouw met valse kippenogen en een scheve mond schreef ik bijvoorbeeld: ‘Haar kleine, scheefstaande ogen harmoniëren prachtig met de wonderlijke vorm van haar lippen.’ Een meisje met een muizenkopje en heel kleine tietjes die ze voortdurend aan het oog trachtte te onttrekken door, alsof ze naakt was, haar armen er voor te kruisen, voorzag ik van volle borsten met de opmerking dat haar decolleté de aandacht afleidde van haar fijnbesneden gelaat en haar opvallende zachtroze wangen, die weliswaar even bol waren maar die vanuit erotisch oogpunt nu eenmaal minder te raden overlieten. Net zoals schrijvers van historische romans hun verbeelding botvieren op de gaten die de feiten in het leven van hun personages laten vallen, zo vulde ik met mijn fantasie in wat bij mensen onzichtbaar is en wat ze van zichzelf niet weten. Ik kroop in de spelonken van hun psyche. Neem van mij aan: ieder mens is er diep in zijn hart van overtuigd zowel heilig als duivels, verdraagzaam als intolerant, warm als kil, mooi als lelijk, dom als slim, menslievend als misantropisch, eenzelvig als sociaal, saai als boeiend te zijn. En ik zou dit rijtje karakterologische tegenstellingen met honderden andere kunnen aanvullen. Maar je moet ze er wel op wijzen, de mensen, anders geloven ze zichzelf niet.
Daarna liep het uit de hand. Ik begon meer en meer te verzinnen. Mijn klanten werden echte romanpersonages, ik sleepte ze vanuit de werkelijkheid mijn verbeelding binnen. Dat er nooit iemand viel over wat ik er allemaal bij fantaseerde verbaasde me zo, dat ik een jonge vrouw eens de verzonnen passages in haar portret zin voor zin heb aangewezen, maar ze haalde haar schouders op en zei: ‘Het was mij niet opgevallen, maar als u er last van heeft, mag u het wel veranderen.’ Mijn klanten slikten zelfs beschrijvingen van zichzelf die voor meer dan de helft verzonnen waren. Ik raakte daarvan in de war en werd af en toe duizelig van de cirkelgang van vragen die het opriep. Herkennen mensen zich in elke spiegel die je hun voorhoudt? Voegen ze zich naadloos, in wat anderen van hen vinden? Heeft iedereen iets in zich van iedereen? Berust elk zelfbeeld op willekeur en toeval?
Mijn laatste portret maakte ik van een jonge vrouw. In haar kwam ik mezelf tegen of vond ik mijn meester.