Het was al weken volop zomer in Amsterdam. Tot diep in de nacht zaten schaars geklede vrouwen en bronstige mannen zich op ter-rasjes te verbazen over de tropische temperatu-ren in hun koude kikkerland. Het Leid-seplein was een openlucht-theater gewor-den. Het doorgaande publiek slingerde zich langs de toe-schouwers, die zich overal in kringe-tjes verzamelden rond zin-gen-de, jonglerende, dan-sende en toneel spe-lende `artie-sten' van diverse natio-nalitei-ten. Op de gra-nieten trap van een reisbu-reau speel-de en zong een blan-ke jongen met rastakapsel `de blues' over zijn batterijver-ster-ker-tje. Het gi-taarge-luid werd zo ver-vormd dat de snaren snipverkouden leken. Zijn veel te lieve, glashel-dere stem slaagde er geen mo-ment in de toehoorder ervan te overtuigen dat ze bij de gitaar hoorde, maar er stond toch een mooi, jong meisje aandach-tig, be-wonderend en zicht-baar genie-tend naar te luis-teren.
    Veel publiek trok een jongeman die voortdurend als een stand-beeld verstijfde en in de raarste houdingen minuten-lang beweging-loos bleef staan; zelfs de uitdrukking van zijn ogen veranderde niet. Zijn gezicht leek door de glinsterende, geel-groene schmink op dat van een buitenaards wezen zonder ge-voel en met onbegrijpelij-ke gedach-ten. Af en toe raakten giegelende meis-jes of stoer la-chen-de jongens hem aan, waar-na hij onmiddel-lijk, van schrik zo leek het, in een ande-re houding schoot. Na weer zo'n  Gestalt-schwitch keek hij Lucien opeens akelig scherp en doordrin-gend aan. De vinger van zijn rechterarm priemde waarschu-wend in de lucht. Lucien kon zich niet losma-ken van zijn blik, waarin louter ver-maning, uitvlucht-loze botte vermaning te lezen viel. Pas minu-ten later, toen een klein meisje met blonde krullen het aan de hand van haar moeder had aangedurfd de man aan te raken en deze zijn hoofd met een schok afwendde, drong het tot Lucien door dat hij er ook zelf al die tijd als een standbeeld bij moest heb-ben ge-staan. Toen Freud hem vroeg zich via de vrije associatie onmid-del-lijk af te vragen waarom hij daar zo getroffen had gestaan, dacht hij: Jos Oldemonnikhof en dood door schuld. Zijn schuld. Zodra reflectie weer mogelijk was, en dat was al gauw, dacht hij: de schuld van De Here, Aquarius, Schopenhauer, Von Hartmann, Leiders, Ideeën. En toen: de schuld van de wereld, van de ongrijpbare werkelijk-heid.
    Stommelend, gierend en bellend trachtten de trams zich een weg over het plein te banen. Een dron-ken, smake-loos geklede Ame-ri-kaanse toerist vroeg zich woest schreeuwend af who the hell zijn portefeuille gerold had. De fotocamera stuiterde protes-te-rend op zijn vette Hamburger-buik. Op de randen van bloembakken en quasi kunst-zinnige `elementen' zaten verslon-ste oude negers met grijs ge-worden kroeshaar. Ver weg van waar ze zich eens thuis voel-den, te-midden van sex-clubs en hoerententen, voor-bijge-lopen door Hol-lan-ders met visseogen en toeristen met stads-kaarten in hun han-den, lieten zij het hoofd, zo op het oog nogal wanhopig, op hun knieën rusten. Alleen de zon scheen ook in het Afrika waar hun ver-re, verre voorouders bijel-kaar hoorden voordat de blanke pest voet aan wal zette.
(Uit: Weg van loze dromen , 1992, blz. 18-19)