| Over Uit het niets en het tweede oog |
|
Tijdens de presentatie van Uit het niets op 19 oktober (uitgeverij Podium in Amsterdam) vertelde de filosoof dr Ben Schomakers over de rol die de Griekse filosoof Parmenides (zesde eeuw voor Christus) speelt in de nieuwe roman van Herman Franke. Schomakers is de auteur van Oog voor het ene. Over Parmenides van Elea, Budel: Damon, 2003. Hieronder staat de tekst van zijn beschouwing. Door Ben Schomakers Keurig in het midden van Uit het niets, alsof het afgepast is met een lineaal, gebeurt er iets heel opmerkelijks, zeker voor een roman. Er wordt een fors fragment uit een collegedictaat geciteerd dat de letterlijke tekst bevat, in vertaling toch maar, van een antiek Grieks filosoof. Alles lijkt toeval maar niets is dat in het oeuvre van Herman Franke, waarin preciezer beschouwd alles eerder een ontwikkeling en een afwikkeling is van wat al als een eenheid gegeven is, en dat geldt ook hier. Het heel abstracte college markeert een breuk in de zelfervaring van de naamloze hoofdpersoon van het boek, hij verliest de naiviteit van zijn eigen zijn, begeren en streven, neemt afstand van een vriendschap, raakt argwanend over vriendschap hoe dan ook, wordt opgezogen in een liefde die weliswaar kort duurt maar hem nooit meer met rust zal laten, maar krijgt ook een cruciale les in het aftasten en het vertrouwen in zijn eigen, ontvankelijke omgang met de werkelijkheid. Dat dit al direct en indirect teweeggebracht wordt door een op het eerste gezicht nogal rare, zelfs wereldvreemde tekst van een antiek filosoof is niet werkelijk vanzelfsprekend. Hoe dan ook zijn romans waarin een cruciale beslissing van een filosoof afhangt niet dicht gezaaid, al wordt er in romans natuurlijk wel vaak getobd en veel afgepeinsd. Prachtig is wel de scene waarin Bellows Herzog zijn metrokaartje door de controleur achter het lint van zijn hoed vandaan laat halen terwijl hijzelf onverstoorbaar Kierkegaard blijft lezen. Maar die wordt dan tenminste nog als een grondlegger van het existentialisme beschouwd, en zo’n nabijheid is de filosofen uit de oudheid niet gegund. Een filosoof uit de oudheid die een modern leven een draai en een richting geeft, dat is ongehoord. Het gaat hier bovendien niet om Plato of Aristoteles of Socrates, namen die ik meestal mompel als ik iemand uitleg dat ik aan antieke filosofie doe, want zij zullen misschien nog net bekend zijn. Het gaat om Parmenides, en dat die dieper in de schaduw van de stenen van de oudheid verborgen is, merkte ik zelf toen ik in een omgeving die daar toch echt zelf om gevraagd had een lezing over hem zou geven en als een specialist in Pamrenides werd aangekondigd. Ik moest misschien al blij zijn dat het aantal lettergrepen klopte. Om al die redenen is de grote betekenis van Parmenides, zo heet hij, in Uit het niets opmerkelijk, maar toch misschien nog wel het meest om deze: want wat Parmenides te zeggen heeft, ongetwijfeld een van de belangrijkste filosofen ooit, lezen we er de handboeken maar op na, is vreemd en onwerelds en lijkt alleen van invloed op een leven te kunnen zijn als een metafysische wiek die een klap van de molen uitdeelt. |