| Kellendonk lezing 2000 |
|
De ironie van de romantiek I `Er waren eens een vader en een zoon'. Zo begint een van de ontroerendste verhalen die ik ken. Het gaat over de dagelijkse omgang tussen een vader en een zoon. Zij voeren opgewekte, levendige gesprekken met elkaar, hoewel ze erg zwaarmoedig zijn. Beiden geloven dat ze schuld dragen aan het verdriet van de ander, zonder dit ooit uit te spreken. Maar heel af en toe blijft de vader voor de zoon staan, laat een bekommerde blik op hem rusten en zegt: arm kind, jij leeft in een stille vertwijfeling. Dan sterft de vader. En de zoon ziet veel, hoort veel, beleeft veel en wordt beproefd in velerlei verzoekingen, maar er is maar één ding waar hij naar verlangt, maar één ding dat hem zou kunnen ontroeren: dat zijn die woorden, en de stem van zijn vader die ze spreekt. En de enige troost die hij op zijn eigen oude dag heeft is dat zijn stem zo sterk op die van zijn vader is gaan lijken, dat hij tot zichzelf kan zeggen: arm kind, jij leeft in een stille vertwijfeling. De schrijver van dit verhaal is de Deense filosoof Soren Kierkegaard die leefde in de eerste helft van de negentiende eeuw. Hij zag eruit als Jannes van der Wal, was zeker zo excentriek, werd op straat in Kopenhagen uitgelachen om zijn spillebenen en bouwde een bizar maar indrukwekkend oeuvre op zijn existentieel getob over de verbreking van zijn verloving met de 18-jarige Regine Olsen. Dat was in 1841 nog iets waarvan iedereen schande sprak. Op internet zijn portretjes van Regine te vinden. Het is een wreedheid van de technische vooruitgang dat honderden miljoenen mensen nu kunnen zien hoe lief het meisje eruit zag dat hij hardhandig maar ook vol rijk geschakeerd schuldgevoel van zich afstootte, nadat genadeloos zelfonderzoek hem tot de conclusie had gebracht dat hij niet voor het huwelijk geschikt was en een andere taak had te volbrengen, te weten het eenzaam leren leven met vertwijfeling en angst en het zoeken naar een religieuze uitweg, zeg maar troost. |