Werk in uitvoering

    Het ene oog van de meeuw zakte open en staarde naar de lucht met de jagende wolken waarin zijn soortgenoten krijsend achter elkaar aanjoegen of zich met gespreide vleugels vorstelijk door de wind lieten dragen.
    `Nou, die is dood', stelde een man van middelbare leeftijd op emotieloze toon vast. Hij zag eruit als iemand die in zijn vrije tijd het liefst hard werkt, tot in de kleine uurtjes, tot hij sterft in het harnas van een gejaagd bestaan.
    `Alweer dood', snikte een klein meisje. Ze keek verbijsterd, maar aan haar ogen en mond kon je zien dat ze graag en veel lachte. Zelfs haar bruine haar krulde vrolijk op. Een vrouw aaide haar hoofd en trok haar dicht tegen zich aan.
    Paul schoof de meeuw met zijn voet voorzichtig in een hoekje van het dek, waar het slaphangende kopje in een plas roestbruin water kwam te liggen dat zijn snavel binnensijpelde. Net toen hij wilde verderlopen, voelde hij een pijnlijke stoot in zijn rug. Een man met grote behaarde handen en een ruwe kop duwde hem opzij en pakte het beest op. Met harde stem riep hij `een, twee, drie in godsnaam' en wierp de meeuw overboord. Kinderen hingen onmiddellijk over de railing om te zien hoe hij in de golven verdween.
    `Een meeuw verdient een zeemansgraf', zei de man en keek hem verwijtend aan vanonder zijn donkere, borstelige wenkbrauwen. Paul knikte minzaam, tuitte sussend zijn lippen en liep de trap op, gevolgd door een snel groeiende rij passagiers.
    Een zeemansgraf? Een meeuw verdient een vis in zijn snavel, een meeuw verdient te vliegen en te krijsen langs de stranden, dacht hij.
    De wind gebruikte de holle, gietijzeren leuning van de trap als blaasinstrument, wat een schrille, fluitende toon gaf die zich op een wonderlijke manier vermengde met het bonzende geluid van de vele voetstappen. Met een beetje fantasie klonk het als een heuse fanfare, of nee, niet als een fanfare maar als het lokkende gefluit van de rattenvanger van Hamelen. Paul stapte met een sprongetje op het hogere dek en voelde zich even heel gelukkig, zomaar, als een lammetje in de wei. Van louter levenslust voer een rilling door zijn lichaam. Hij hief zijn vrije rechterarm, duwde zijn pols tegen zijn mond, deed met zijn vingers of hij een dwarsfluit vast-hield, trok zijn bovenlip recht en blies een vrolijk wijsje, terwijl hij ritmisch bewoog op de maat van zijn muzikale fantasie. De passagiers dansten achter hem aan, maar toen hij lachend omkeek zag hij slechts stramme leden en strakke blikken. Ze zouden hem wel vreemd vinden. Eerst deed hij al zo raar bij die dode meeuw en nu gedroeg hij zich, een man van in de dertig, als een uitgelaten kind. Gedraag je, fluisterde hij tegen zichzelf.
    Hij liet zijn arm zakken, draaide zijn hoofd en keek in de ogen van een jonge vrouw met lang donker haar die tegen de railing leunde en hem vertederd maar ook een beetje afgunstig toelachte; zoals vrouwen kunnen lachen als ze spelende kinderen zien die hen aan de onbekommerde dromen uit hun kindertijd herinneren. Had ze hem zien dansen als een nar? Hij glimlachte terug maar lachte ook wel een beetje om zichzelf. Even overwoog hij iets tegen haar te zeggen maar hij aarzelde en voordat hij iets had kunnen bedenken, was hij haar al voorbij. Hij draaide zich om en ontmoette opnieuw haar ogen. Ze glimlachte nog steeds. Toen deed hij iets waarvoor hij zich onmiddellijk schaamde. Hij zond haar een kushandje, maakte een gek sprongetje en liep zonder om te kijken door naar de trap die naar het zevende dek leidde, het dek waarop zich zijn slaaphut bevond.