Werk in uitvoering

Fragment uit VOORBIJ IK EN WAARGEBEURD

Een lucht vol zuchten

Toen hij in Hoek van Holland vanuit de overdekte voetgangerstunnel de veerboot naar Harwich opstapte, werd hij welkom geheten door een vrij oude man met ruigbehaarde wangen en sneeuwwitte haren die vanonder zijn pet weelderig opkrulden, tot over zijn oren. `Treedt binnen', zei de man, uitnodigend zwaaiend met zijn rechterarm. Het felle schijnsel van de ondergaande zon, waarvan alleen nog een dieprood kruintje boven het donkere water van de Noordzee uitstak, weerspiegelde zich in zijn ogen. Hij schrok van zijn vlammende blik en versnelde onwillekeurig zijn pas. Even verder draaide hij zich om, maar hij zag niets bijzonders. Het was een gewone, middelgrote man in een blauw uniform met zilverkleurige biezen. Paul haalde zijn schouders op, liep door en verbaasde zich over de grootte van de boot, terwijl de aanwakkerende wind zijn openstaande jack aan de rugkant deed opbollen. De Koningin Beatrix leek meer op een drijvend hotel dan op een schip.
    Vlak voor de trap naar de bovendekken, zeilde er een zeemeeuw tegen de railing en plofte vlak voor zijn voeten op de grond. Het beest lag op zijn zij, met gekromde pootjes en gesloten ogen. Het rode hemellicht gaf zijn grijswitte veren een roze zweem.
    Dood?
    Paul wist het niet. Hij zag geen bloed, geen wonden. Hoe wist je bij meeuwen of ze dood of buiten bewustzijn waren? Klopte hun hart zichtbaar? Voelde je een hartslag in hun pootjes? Speurend naar een teken van leven bedacht hij dat hij niet eens wist of vogels wel een hart hadden. Of hadden alle beesten een hart? Ook mieren, vliegen en wormen?
    Nee, nog niet dood.
    Hij zag dat de meeuw even zijn kopje hief en zijn vrije vleugel probeerde uit te slaan, maar verder dan wat machteloze rukjes kwam hij niet. Zijn snavel stond op een kier en bewoog licht, alsof hij naar adem hapte. Zijn pootjes strekten zich langzaam tot ze opeens, met een licht schokje, verstijfden. De stevige westenwind deed zijn veertjes waaieren, vooral de kleine op zijn borst, maar verder bewoog er niets meer aan hem. Paul zette zijn koffer neer en keek gefascineerd toe. Het sterven, ook van een dier, had iets groots. Even rook je de meedogenloze eeuwigheid van iedereen en alles. In een plotselinge opwelling van medelijden zakte hij door zijn knieën en strekte zijn arm om het dier bij te staan in zijn eenzame strijd, maar hij aarzelde toen hij de vele schoenen zag die in zijn richting priemden, bruine herenschoenen, kindergympies, hoog gehakte pumps, rijglaarsjes, sandalen, kleurige sportschoenen. Hij keek op. Er had zich een kring gevormd van toeschou-wers die hem met kille blikken opnamen, alsof ze hem op een verderfelijke handeling hadden betrapt. Beschaamd trok hij zijn arm terug en ging weer rechtop staan.