Biografie

Biografie
Een romantisch realist


Herman Franke werd op 13 oktober 1948 geboren in Groningen. In de roemruchte jaren zestig speelde hij als basgitarist in diverse popgroepen. Hij begon, als zoveel schrijvers, zijn schrijverscarrière als langharige hoofdredacteur van de schoolkrant. In de jaren zeventig was Franke enkele jaren stadsverslaggever bij het Nieuwsblad van het Noorden. Die carrière brak hij af om sociologie te gaan studeren, eerst aan de Rijksuniversiteit Groningen, daarna aan de Universiteit van Amsterdam. In de jaren tachtig woonde hij in Warmenhuizen, Noord-Holland. Al kort na zijn (cum laude) afstuderen, begon hij in dag- en weekbladen te publiceren over tal van onderwerpen. Tegelijkertijd werkte hij zich op tot hoofddocent aan het Criminologisch Instituut Bonger van de Universiteit van Amsterdam. In 1989 verhuisde hij naar Amsterdam. De basgitaar is aan de wilgen gehangen, maar hij speelt nog wel verdienstelijk jazzgitaar.
    In het begin van de jaren tachtig schreef hij De dood in het leven van alledag, zijn eerste non-fictieboek. Het is een analyse van de veranderende houding ten opzichte van de dood in onze samenleving. Franke ontwikkelde zich daarna tot een vooraanstaand criminoloog. Hij verwierf bekendheid met opiniestukken in dagbladen, televisiedebatten en boeken over de geschiedenis van misdaad en straf. In 1995 werd de Engelse vertaling (The emancipation of Prisoners) van zijn (cum laude) proefschrift Twee eeuwen gevangen door de American Society of Criminology bekroond als beste buitenlandse studie. Van dit boek verscheen tevens een verkorte versie in het Nederlands (De macht van het lijden).
    ‘Schrijvers zijn misdadigers,’ schreef Franke in Trouw (28 oktober 2000). Hij bedoelde daarmee dat de morele vrijheid die schrijvers zich achter het bureau toestaan dezelfde vrijheid is die mensen tot misdaden kan brengen. Maar de relatie tussen literatuur en misdaad gaat wat hem betreft nog verder. Net als hijzelf waren veel Nederlandse schrijvers, van Arnold Aletrino tot J.B. Charles (pseudoniem van Willem Herdrik Nagel) en Andreas Burnier (pseudoniem van Catharina Irma Dessaur) zowel criminoloog als schrijver. De band tussen criminologie en literatuur is begrijpelijk. ‘Criminologen zijn immers beroepshalve buitengewoon geïnteresseerd in de grenzen tussen goed en kwaad, het duistere in de mens, kortom in de belangrijkste thema’s van de wereldliteratuur,’ schreef hij in Trouw.
    Halverwege de jaren negentig besloot Franke op het hoogtepunt van zijn criminologische carrière zich geheel aan de literatuur te wijden en zegde hij zijn vaste baan aan de universiteit op. Hij vond dat hij zijn talenten tekort deed als hij niet voluit zou kiezen. Hij had inmiddels twee romans (Weg van loze dromen en Nieuws van de nacht) geschreven die hem wel erkenning maar nauwelijks een bron van inkomsten opleverden. De verbeelding, zijn derde roman, zorgde in 1998 voor zijn doorbraak en leverde hem de AKO Literatuurprijs op. Franke publiceerde in dagbladen, weekbladen en literaire bladen als Het oog in ’t Zeil, Maatstaf, Optima en De Gids. Een aantal beschouwingen werd opgenomen in zijn bundel De tuinman en de dood van Diana (1999). In 2000 hield hij de achtste Kellendonklezing (De ironie van de romantiek). Inmiddels is hij een vaste auteur van De Revisor. Voor Cicero, de boekenbijlage van de Volkskrant, schreef hij jarenlang (tot begin 2007)tweewekelijks een spraakmakende column en literaire essays. In 2004 verscheen een compilatie van zijn columns onder de titel Waarom vrouwen betere lezers zijn. Een jaar eerder publiceerde hij zijn omvangrijke roman Wolfstonen en in 2004 de bundel Notulen met ultrakorte verhalen. Van een bekend criminoloog werd hij een nog bekendere schrijver. In oktober 2007 verscheen Uit het niets, het eerste deel van zijn `doorlopende roman' Voorbij ik en waargebeurd.