| Wolfstonen |
|
13. ‘Franke heeft niet alleen een boek geschreven dat staat en valt als het spreekwoordelijke huis, het gaat daar ook nog eens over. Een wooncomplex in een Hollandse binnenstad is in ‘Wolfstonen’ de eigenlijke hoofdpersoon. Franke maakt een trefzekere keuze voor het tragikomisch uitvergroten van Hollandse eigenaardigheden anno 2003. Een roman die een stevig verhaal vertelt, een verhaal met een kop en een staart en een robuust lijf daar tussenin (…) Van meet af aan steekt in de verhaallijn een primitief soort vitaliteit de kop op (…) Wolfstonen (..) excelleert in die passages waar het verhaal steunt op de mythische fundamenten van de vertelkunst, die het gegeven van een huis voor enkelingen weet te herleiden tot een kenmerkend beeld van de menselijke samenleving in haar geheel (…) een even prikkelende als boeiende roman.’ (Jaap Goedegebuure in het Brabants Dagblad, 27 maart 2003) 14. ‘Kan de verbeelding van een auteur iets met de maatschappij, een aanpak die ze in de Nederlandse letteren laag aanslaan? Franke weet echter wat verbeelding kan en niet kan, getuige zijn AKO-prijs winnende roman uit 1998, niet bij toeval De verbeelding geheten. Ook ditmaal zullen jury’s moeilijk om hem heen kunnen vanwege het stevig getoonzette, caleidoscopisch opgebouwde Wolfstonen (valse vioolklanken). Het lijkt een soundtrack bij een rampenfilm over de botsing der beschavingen die in onze binnensteden wordt verfilmd. (…) Franke ziet echter kans om deze culture clash te tillen naar het niveau van de grote verhalen van alle tijden. Want flatbewoners of niet, iedereen in het boek leeft in een waanwereld: van schoonheid die maakbaar moet zijn of onwetendheid die veilig kan zijn, van slachtofferschap dat zich heerlijk laat koesteren of liefde die belangeloos zou zijn. (…) Niet wetenschappelihjk, dat spreekt, maar wel als mythe vol woekerende planten en nare kakkerlakken (deed Hamelink vroeger ook). Of als sprookje met twee nog onbeschadigde mensen in het verhaal, twee lieve kinderen: een allochtone jongen en zijn autochtoon vriendinnetje. Een horrorsprookje met bijbelse trekken: de flat als Toren van Babel (…) en een paar Messiaanse Jezus of Pim lookalikes. Alleen géén verlossing (…). Hopelijk schreef Franke geen voorspellend s.f. boek, maar slechts een boosaardig sprookje. Ik vrees echter.’ (Koen Eykhout in De Limburger, 3 april 2003) |