Ha, ha, ha. De vertrouwde lach uit een dood verleden liet zich niet meer
verdrijven en voegde zich duurzaam bij die ononderbroken woordenstroom. Lucien
glimlachte ook, maar omdat hij half sliep, bleef hij uiterlijk onbewogen. Ergens
tussen zijn hersens en zijn mondhoeken liepen de lachsignalen vast op een lome
onwil. Het wás natuurlijk ook humoristisch, die arrogante, negentiende eeuwse
zwartgalligheid. Even humoristisch als het toenmalige geloof in de heilzame
werking van lichtbaden, vooral omdat er mensen waren die zienderogen opknapten
nadat gloeilampen schaamteloos hun Victoriaanse naaktheid hadden beschenen.
Kennis, dacht hij, kennis is de leugen van elke tijd. Tegenstrijdig genoeg
voelde hij tevens een grote behoefte aan meer kennis van wat hem van zichzelf en
Sanne dreigde te vervreemden. Innerlijke kennis wel te verstaan want feitelijke
kennis had hij genoeg, teveel zelfs. Hij zocht dus gevoelens, of nog beter, hij
zocht vereffening, oplossing, berouw, rijping, verwerking, Jezus Christus, hij
kon wel aan het opsommen blijven. Rust, ruzie, respijt, Hij blééf opsommen -
opluchting, verdieping, begrip, overzicht - hij zag een lange rij grote woorden
wachten voor een rondleiding in zijn knappende kop waar het al zo pijnlijk druk
was met die opdringerige monoloog, die lachende Oldemonnikhof, dat zinderende
gezoem en dat gerinkel van glazen. In zijn stem won een geniepige bijklank aan
kracht. Hij sprak als een vileine verleider, als een verbale verkrachter in een
goedkope publieksfilm.
|