De tuinman en de dood van Diana

Goffman hoort binnen een sociologische traditie die door George Herbert Mead werd gevestigd. Mead wees erop dat kinderen aanvankelijk geen onderscheid maken tussen zichzelf en anderen. Vaak spreken ze ook zichzelf toe in de derde persoon. `Jantje is stout' kun je een Jantje horen zeggen. En dat doet hem niets, want wie is Jantje? Maar op een dag doet zich in zijn persoonlijkheidsontwikkeling het moment voor dat hij begint te beseffen dat Jantje `ik' is en de anderen `de anderen'. Al gauw voelt hij dan het onderscheid tussen zijn `ik' en zijn `mij'. Zijn `mij' is zijn `ik' die welbewust naar naar zichzelf kijkt met de ogen van iemand anders en bijvoorbeeld denkt: `wat deed ik stom'. Vanaf dat moment ligt de weg open naar een minderwaardigheidscomplex of naar ziekelijke zelfwaardering, tenzij Jantje er in slaagt met een juiste mengeling van kritiek en bewondering naar zichzelf te kijken. Doet hij dat teveel met de ogen van `men' dan wordt hij een burgermannetje; trekt hij zich alleen iets aan van de paar mensen die hij belangrijk vindt, dan wordt hij neurotisch. Zijn `looking-glass-self', zoals Charles Cooley het beeld van `jezelf in de ogen van de ander' typeerde, moet niet teveel lijken op mensen die hij haat, maar hij moet ook er ook weer niet verliefd op zijn zoals Narcissus. Het is dus geen wonder dat er zoveel mensen onder psychiatrische behandeling staan. Zie jezelf maar eens een leefbaar ik-beeld aan te meten in een wereld die geen warwa meer kent.
In elk mens huizen vele persoonlijkheden. Een schrijver houdt van hen allemaal en laat ze beurtelings aan het woord. `Hoeveel kiemen hebben wij niet in ons die alleen in onze boeken zullen ontspruiten!', schreef André Gide aan een recensent. De ik-personen van een schrijver ontlenen hun identiteit immers aan wat ze te vertellen hebben en niet aan wie de schrijver is in het leven van alledag. In deze bundel lopen de ik-personen zelfs uit mijn romans weg en beginnen voor zichzelf, of andersom, dat weet ik niet meer precies. Soms krijgen ze het met elkaar aan de stok. De `ik' met de ziekte van Barlaggio in het slotverhaal ken ik helemaal niet. Het lijkt me geen vrolijk iemand, maar misschien komt het nog wel goed met hem. Ik bedoel maar: wat moet een schrijver met een `ik' die de baas wil zijn in zijn hoofd? Die moet hij een keer goed voor joker zetten in een mooi verhaal, want een schrijver die zijn ik het belangrijkst vind, is geen schrijver. Voor een schrijver is zijn `ik' gewoon een van zijn personages. En zijn lezers zijn warwa.