| Fragmenten |
|
Fragment (1) Ze verlegde haar hoofd en voelde tegelijk een felle steek die tot diep in haar hersens doordrong en nog lange tijd een zeer pijnlijk, brandend gevoel in haar linkeroog veroorzaakte. Dit was geen gewone katerige hoofdpijn. Dit was een moordaanslag. Iemand leek hard en diep iets puntigs in haar oog gestoken te hebben. Een balpen of zo, zo’n klassieke blauwe BIC met een doorzichtig drukknopje dat als een piepkleine telescoop door haar iris naar buiten stak en kleine, ronde, flikkerende beeldjes doorliet, beeldjes die haar stuk voor stuk herinnerden aan wat ze het liefst voor altijd wilde vergeten. Binnen in haar hoofd schreef de pen met krachtige halen en veel uitroeptekens haar gedachten, die maar niet tot een afronding wilden komen en telkens terugkeerden naar het moment dat ze hem op haar knieën smeekte weer van haar te houden. Op haar knieën! Hou asjeblief van me. De stekende balpen schreef het steeds weer opnieuw. Het leek wel strafwerk. Ze dacht aan school in kleine ronde beeldjes die kriskras door haar hoofd schoten; ze dacht aan vroeger. Er moest iets mis gegaan zijn in haar voorbereiding op het leven van de grote mensen. Ze voelde zich een klein meisje dat met heroïne in het rugzakje op een vliegtuig naar Singapore was gezet. Nietsvermoedend op weg naar de galg. |